Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP8110

Datum uitspraak2004-06-24
Datum gepubliceerd2004-07-06
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3418 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afkoop van wachtgeldaanspraken; gelijkheidsbeginsel.


Uitspraak

02/3418 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP), gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei 2002, nr. 01/64 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 13 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F. Norel, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. van der Vaart, advocaat te Enschede, bijgestaan door J. Rikkerink, werkzaam bij het LSOP. II. MOTIVERING 1. Appellant is van 1 juni 1997 tot 1 juni 1999 in tijdelijke dienstverband werkzaam geweest als chef financiële en administratieve zaken van het Politie Instituut Openbare Orde en Veiligheid, welk instituut deel uitmaakt van het LSOP. Appellant was ziek van 28 mei 1999 tot en met 10 juli 1999 in verband waarmee zijn salaris ook na ontslag is doorbetaald. Met ingang van 1 juli 1999 heeft appellant een andere betrekking aanvaard. Bij brief van 24 juni 1999 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek om afkoop van zijn wachtgeldaanspraken, welk verzoek op 12 november 1999 is herhaald. Bij besluit van 14 april 2000 is dit verzoek afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 4 december 2000. 2. De rechtbank heeft het tegen dit laatste besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3. Ook in hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit niet door de beugel kan, nu geen sprake is van beleid dat naar behoren is bekend gemaakt en het besluit tevens in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen, waartoe gewezen is op het geval van ex-collega S, bij wie, verkerend in dezelfde situatie als appellant, wel afkoop van wachtgeldaanspraken heeft plaatsgevonden. 4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen weigeren tot afkoop van appellants wachtgeldaanspraken (door appellant op ƒ 84.000,- geraamd) over te gaan en volstaat ermee te verwijzen naar hetgeen de rechtbank dienaangaande onder 2.4.2. van de aangevallen uitspraak heeft overwogen. 4.2. Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Raad dat gedaagde heeft aangegeven dat het wachtgeld van bedoelde collega inderdaad is afgekocht, maar dat deze in een andere positie verkeerde dan appellant. Deze collega beschikte ten tijde van zijn ontslag nog niet over een (toekomstige) andere baan. In dat geval was derhalve wel degelijk sprake van het afkopen van een werkloosheidsrisico. Appellant daarentegen was reeds in april, vèr voor zijn ontslagdatum al verzekerd van een andere betrekking, welk hij mede als gevolg van de inspanningen van gedaagde had verkregen. De Raad acht, gelet hierop, sprake van een rechtens relevant verschil tussen beide gevallen. Dat een besluit tot afkoop is genomen (één week) vóór de ontslagdatum van S maakt dit niet anders, omdat op dat moment duidelijk was dat S nog geen andere betrekking had gevonden. Ook deze grief slaagt dus niet. 5. Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit stand houden en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2004. (get.) T. Hoogenboom. (get.) P.W.J. Hospel.